Bel 033 4602302 of mail naar info@spigt.nl

Huurprijsvermindering (art. 7:207 lid 1 BW)

De huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige huurprijsvermindering vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen (art. 7:207 lid 1 BW).

Geen huurprijsvermindering voor 'eigen' herstellingen huurder (art. 7:207 lid 2 BW)

De huurder heeft geen aanspraak op huurvermindering terzake van gebreken die hij krachtens art. 7:217 BW (kleine herstellingen) verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de verhuurder aansprakelijk is (art. 7:207 lid 2 BW).

Woonruimte (art. 7:241 BW)

De gebrekenregeling van de artt. 7:204 t/m 7:210 BW is voor woonruimte nader uitgewerkt in art. 7:241 BW: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke tekortkomingen in elk geval als gebreken worden aangemerkt. Van de krachtens art. 7:241 BW vastgestelde bepalingen kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.

Procedure tot huurprijsvermindering (art. 7:257 BW)

De procedure tot huurprijsvermindering op de voet van art. 7:207 BW jo. art. 7:241 BW is geregeld in art. 7:257 BW.

Niet-geliberaliseerde woonruimte

Vervaltermijn (art. 7:257 lid 1 BW)

Bij niet-geliberaliseerde woonruimte en, gelet op art. 7:247 BW, een niet-zelfstandige woning geldt voor de vordering van de huurder tot huurprijsvermindering op grond van art. 7:207 BW in verbinding met art. 7:242 BW een vervaltermijn van zes maanden na de aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek kennis heeft gegeven aan de verhuurder (art. 7:257 lid 1 BW).

Huurcommissie (art. 7:257 lid 2 BW)

Is de vordering van de huurder gegrond op een tekortkoming volgens art. 7:241 BW als een gebrek, dan kan de huurder van niet-geliberaliseerde woonruimte, in plaats van zijn vordering binnen de in art. 7:257 lid 1 BW bedoelde termijn bij de rechter in te stellen, binnen zes maanden na de aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek heeft kennis gegeven aan de verhuurder, de huurcommissie verzoeken over de vermindering uitspraak te doen overeenkomstig de in artikel 16 lid 2 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde algemene maatregel van bestuur.

De huurder kan pas een verzoek bij de huurcommissie indienen, wanneer de verhuurder niet binnen zes weken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek kennis heeft gegeven aan de verhuurder, het gebrek heeft verholpen (art. 7:257 lid 2 BW).

Beperking termijn van huurvermindering (art. 7:257 lid 3 BW)

De sanctie op het verstrijken van de in art. 7:257 lid 1 en 2 BW bedoelde vervaltermijn van zes maanden is echter beperkt: na het verstrijken van die termijn kan, voor wat het verleden betreft, geen huurvermindering worden verlangd over een langere periode dan zes maanden, voorafgaande aan het instellen van de vordering of het indienen van het verzoek (art. 7:257 lid 3 BW).

Semi-dwingend recht (art. 7:209 en 7:242 lid 1 BW)

Art. 7:209 BW en art. 7:242 lid 1 BW bepalen dat van art. 7:209 BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of had behoren te kennen.