Bel 033 4602302 of mail naar info@spigt.nl

Hoofdregel (art. 7:221 BW)

De hoofdregel bij alle huurregimes is dat de huurder bevoegd is de gehuurde onroerende zaak geheel of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren zal hebben (art. 7:221 BW). Deze bepaling is van regelend recht: er kan van af worden geweken.

Onderhuur bij zelfstandige woonruimte (art. 7:244 BW)

Echter, art. 7:244 BW bepaalt dat de huurder van woonruimte niet bevoegd is het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven. De huurder van een zelfstandige woning die in die woning zijn hoofdverblijf heeft, is daarentegen wel bevoegd een deel daarvan aan een ander in gebruik te geven.

Voortzetting huur door onderhuurder (art. 7:269 BW)


Zelfstandige woonruimte

Art. 7:269 BW regelt de kwestie van de voortzetting van de huurovereenkomst bij het einde van de hoofdhuur ten aanzien van zelfstandige woonruimte.

Als de hoofdhuur van zelfstandige woonruimte wordt beëindigd, dan wordt de huurovereenkomst door de onderhuurder voortgezet (art. 7:269 lid 1 BW). De verhuurder kan echter binnen zes maanden bij kantonrechter op een aantal gronden vorderen dat de onderhuur eindigt (art. 7:269 lid 2 BW).

De gronden tot beëindiging zijn:

  1. de onderhuurder biedt onvoldoende financiële waarborg;
  2. de onderhuurovereenkomst is aangegaan met de kennelijke strekking de positie van huurder te verwerven (dit is lastig te bewijzen);
  3. het belang van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst is groter dan het belang van de huurder tot voortzetting;
  4. het ontbreken van een huisvestingsvergunning voor de huurder.

Onzelfstandige woonruimte

De onderhuurder van onzelfstandige woonruimte heeft geen recht op voortzetting van de huurovereenkomst. Hij bewoont de woning na het beëindigen van de hoofdhuur zonder recht of titel.