Bel 033 4602302 of mail naar info@spigt.nl

Besluit

Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is een Algemene Maatregel van Bestuur van 27 maart 2012. Het besluit vormt een uitwerking van art. 6:96 lid 5 t/m 7 BW.

Berekening incassokosten

De vergoeding die van de schuldenaar mag worden gevraagd, wordt berekend aan de hand van de hoofdsom van de vordering en is onafhankelijk van de incassohandelingen die zijn verricht. Ook is niet van belang door wie de vordering wordt geïncasseerd; de schuldeiser zelf of bijvoorbeeld een daarvoor ingeschakeld incassobureau. Voorts wordt voor de berekening de hoofdsom niet vermeerderd met de mogelijk over de hoofdsom verschuldigde wettelijke rente. De vergoeding van de incassokosten wordt als percentage van de hoofdsom berekend. Er worden verschillende percentages gehanteerd, waarbij het percentage lager wordt naarmate de hoofdsom van de vordering toeneemt.

De vergoeding bedraagt:

  • 15% van het bedrag van de hoofdsom over de eerste € 2500,00,00;
  • 10% van het bedrag van de hoofdsom over de volgende € 2500,00;
  • 5% van het bedrag van de hoofdsom over de volgende € 5000,00;
  • 1% van het bedrag van de hoofdsom over de volgende € 190.000,00;
  • 0,5% over het meerdere van de hoofdsom.

Het besluit hanteert een minimum van € 40, en een maximum van € 6775.

Handelstransacties

Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 van het Besluit van aanvullend recht. Het staat de rechter echter vrij bij de toepassing van art. 242 Rv een in een met een handelsrelatie bedongen incassobedrag ambtshalve (gemotiveerd) te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 van het Besluit wordt begroot, indien niet wordt gesteld en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag. Een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van buitengerechtelijke incassokosten.

  • Niet kan echter worden aanvaard dat een dergelijk percentage daarbij in beginsel als uitgangspunt zou moeten dienen. Het maakt geen verschil of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Daarbij verdient opmerking dat krachtens art. 242 Rv als uitgangspunt heeft te gelden dat de kosten redelijk moeten zijn jegens de schuldenaar (HR 10-07-2015, ECLI:NL:HR:2015:1868).