Bel 033 4602302 of mail naar info@spigt.nl

Beëindigingsgronden (art. 7:296 lid 1 BW)

Art. 7:296 lid 1 BW bepaalt bij middenstandsbedrijfsruimte, dat, indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de in art. 7:292 lid 1 BW bedoelde eerste termijn waarvoor de huurovereenkomst geldt of is aangegaan, de rechter de vordering slechts kan toewijzen, op de grond dat:

  1. de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of
  2. de verhuurder aannemelijk maakt dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad of een pleegkind het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig Onder duurzaam gebruik wordt niet begrepen vervreemding van de bedrijfsruimte, maar wel renovatie van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.
Duurzaam eigen gebruik (art. 7:296 lid 2 BW)

Een vordering, ingesteld op de in art. 7:296 lid 1 BW onder b bedoelde grond, is niet toewijsbaar indien de verhuurder de rechtsopvolger is van een vorige verhuurder en hij niet is diens echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in de eerste graad of pleegkind, en de opzegging is geschied binnen drie jaar nadat de rechtopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht. Onder pleegkind wordt verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en opgevoed (art. 7:296 lid 2 BW).

Toe- of afwijzing vordering (art. 7:296 lid 3 BW)

Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de termijn waarmee de overeenkomst krachtens art. 7:292 lid 2 BW is verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, bij verlenging van de overeenkomst. De rechter wijst de vordering in elk geval af indien van de huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde belangen van hem en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde ontruimt (art. 7:296 lid 3 BW).

Toewijzing vordering (art. 7:296 lid 4 BW)

In het geval van art. 7:296 lid 3 BW wijst de rechter de vordering in ieder geval toe indien zich een der in lid 1, onder a en b, in samenhang met art. 7:296 lid 2 BW omschreven gronden voordoet en voorts indien: c. de huurder niet toestemt in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst met betrekking tot het gehuurde, voor zover dit aanbod niet een wijziging van de huurprijs inhoudt, of d. de verhuurder een krachtens een geldig bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken (art. 7:296 lid 4 BW).

Tijdstip ontruiming (art. 7:296 lid 5 BW)

Indien de rechter de vordering toewijst, stelt hij tevens het tijdstip van de ontruiming vast. De toewijzing geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip (art. 7:296 lid 5 BW).

Gerelateerde artikelen